Het recht draagt een vervelende moeilijkheid in zich: om het sociale leven te kunnen reguleren, moet het in algemene termen worden geformuleerd, terwijl menselijke handelingen en situaties altijd specifiek en verschillend zijn. Het recht is daarom inherent imperfect. Door zijn noodzakelijke algemeenheid, die orde en voorspelbaarheid moet garanderen, kan het nooit volledig de complexiteit van de realiteit vatten. Deze structurele imperfectie maakt dat de kwaliteit en daarmee ook de legitimiteit van het recht uiteindelijk grotendeels afhangt van het morele en intellectuele karakter van degenen die het interpreteren en toepassen. Dit essay verdedigt de stelling dat de beste remedie voor de structurele tekortkomingen van het recht – zijn onvermijdelijke algemeenheid en zijn vatbaarheid voor misbruik – de rechterlijke praktische wijsheid is.
Deugdethiek stelt dat de deugd (aretê) fundamenteel is voor een geslaagd menselijk leven (eudaimonia). In tegenstelling tot deontologische of consequentialistische kaders die zich richten op plichten of uitkomsten, plaatst de deugdethiek morele (on)juistheid in de karaktereigenschappen van de morele actor zelf. Eudaimonia – geluk, floreren, excellentie, een voortreffelijk persoon zijn die een goed leven leidt – wordt gezien als het einddoel van het menselijk leven, en deugden worden gezien als karaktereigenschappen die noodzakelijk zijn voor een geslaagd menselijk leven. De heropleving van de deugdethiek in de tweede helft van de twintigste eeuw – onder leiding van denkers zoals Elisabeth Anscombe en Philippa Foot – herstelde de deugd als een belangrijke categorie binnen de moraalfilosofie, waarbij de aandacht terug verschoof naar morele karaktercultivering. Deze ‘aretaic turn’ heeft vervolgens zijn intrede gemaakt in de rechtsfilosofie, wat resulteerde in het ontstaan van virtue jurisprudence. Virtue jurisprudence stelt dat goede rechtspraak het best begrepen kan worden door de lens van de deugdethiek, waarbij de nadruk komt te liggen op de karaktereigenschappen van rechters. Goed juridisch oordelen hangt hier af van het bezit en de uitoefening van de rechterlijke deugd.
In tegenstelling tot theorieën die de nadruk leggen op plichten (deontologie), regels (positivisme) of gevolgen (utilitarisme), richt virtue jurisprudence zich op de karaktereigenschappen die kwaliteitsvol oordelen mogelijk maken. Het centrale concept is daarbij phronesis, doorgaans begrepen als ‘praktische wijsheid’. Voor Aristoteles is phronesis de deugd die iemand in staat stelt te overwegen wat in een concrete situatie goed en rechtvaardig is, en overeenkomstig dat inzicht te handelen. Goed contextgevoelig oordelen en handelen overstijgt zowel mechanische regeltoepassing als een correcte interpretatie van het recht; het vergt de aanwezigheid van de rechterlijke deugd, namelijk de gecultiveerde karaktereigenschap die rechters in elke casus automatisch naar een juridisch juiste beslissing leidt.
Ook is een verfijnde vorm van rechterlijke perceptie vereist. Deze stelt de rechter in staat om op een adequate manier aandacht te schenken aan, en te reageren op, de bijzonderheden van de zaak waarmee hij wordt geconfronteerd. Een adequate reactie op deze bijzonderheden vereist een specifieke, verfijnde gevoeligheid van de rechter. Deze gevoeligheid hangt nauw samen met het feit dat de rechter zich voortdurend bezighoudt met het begrijpen van waardenbeladen concepten (value concepts) die in de zaak een centrale rol spelen – denk bijvoorbeeld aan ‘rechtvaardigheid’ of ‘machtsmisbruik’. Het begrijpen van deze concepten is een hoogst persoonlijk en non-stop leerproces dat zich binnen het rechtspreken voltrekt. Deze concepten lenen zich voor een proces van verdieping: het inzicht in dergelijke concepten kan men doorheen de rechterlijke carrière verdiepen en verbeteren. Om de betekenis van deze concepten te begrijpen is een aandachtige manier van kijken vereist (Murdoch 1964) die de werkelijkheid niet reduceert tot statische begrippen, maar haar in haar volle morele gelaagdheid probeert te begrijpen. Voor de rechter betekent dit dat rechtspreken niet alleen een kwestie is van juridische expertise of analytische scherpte, maar van een voortdurend moreel leerproces waarin verfijnde perceptie en een aandachtige blik centraal komen te staan.
Rechterlijke phronesis omvat ook het vermogen om de factoren te herkennen die het rechterlijk oordeel beïnvloeden. Deugdelijke rechters houden niet halsstarrig vast aan het idee dat ze ‘onpartijdig’ zouden zijn. Neen, ze begrijpen waar hun perspectief op een zaak vandaan komt en houden hiermee rekening in de analyse van hun uiteindelijke oordeel. Rechterlijke phronesis vergt dat rechters hun eigen vooroordelen herkennen en in staat zijn deze telkens opnieuw kritisch te bevragen. Een door phronesis geleide rechter bezwijkt niet voor de drang om snel te oordelen, noch voor de impuls om zijn beslissing haastig te rechtvaardigen. Ook van belang is een epistemische bescheidenheid : de rechter is zich bewust van zijn cognitieve beperkingen en claimt geen bevoorrechte toegang tot allerhande onveranderlijke waarheden.
Daarnaast vergt een goed juridisch oordeel nog een reeks andere deugden: openheid voor uiteenlopende standpunten, het vermogen om een argumentatie zorgvuldig te analyseren en te bevragen, en het vermogen om aandachtig naar de partijen te luisteren vooraleer een oordeel te vellen. Even essentieel is de communicatieve deugd, die de rechter in staat stelt om in een zorgvuldig geformuleerde motivering helder, precies en met de gepaste nuance te communiceren met procespartijen, collega’s en de samenleving.
Rechterlijke phronesis is geen private intuïtie of een subjectief ‘onderbuikgevoel’, maar een karaktereigenschap die geleidelijk wordt gevormd door professionele ervaring en voortdurende confrontatie met uiteenlopende casuïstiek. De praktijk van het rechtspreken is ondenkbaar zonder rechterlijke phronesis: een juridisch juiste beslissing moet mede gedefinieerd worden in termen van deze rechterlijke phronesis. Deugdelijke rechters worden niet als phronimoi geboren; zij worden deugdzaam door voortdurende vorming, oefening en verbetering van karakter in een dynamische interactie met anderen. Beginnende rechters kunnen zich spiegelen aan hen die reeds over rechterlijke phronesis beschikken. Zichzelf spiegelen aan dergelijke exempla virtutis kan uiteindelijk leiden tot een transformatie van de beginnende rechter. De beginnende rechter die aanvankelijk probeert recht te spreken zoals zijn rolmodellen dat zouden doen, kan gaandeweg een soortgelijke verfijnde perceptie ontwikkelen. Hij neemt niet hun concrete antwoorden over, maar leert de casus te zien en erop te reageren zoals zij dat zouden doen.
Waar klassieke phronesis het rechterlijk oordeel laat steunen op het bezit en de uitoefening van de rechterlijke deugd, introduceert techno‑juridische phronesis de karaktereigenschap die de rechter in staat stelt om AI‑output kritisch te wegen, te nuanceren en waar nodig te overrulen. In de AI-rechtszaal betekent phronesis dat rechters hun eigen stem en verantwoordelijkheid behouden, ook wanneer ze AI‑ondersteuning inzetten. Ze behandelen AI‑output nooit als iets vanzelfsprekend, maar als één input onder vele – nooit voldoende om op zichzelf het rechterlijk oordeel te rechtvaardigen. Precies dit moet in de AI‑rechtszaal worden vermeden: de rechter die zich reduceert tot overnemer van algoritmische aanbevelingen en daarmee zijn moreel leerproces definitief beëindigt met een schouderophaling en een ‘computer says no’-mentaliteit. Ook verlangen rechters transparantie van AI‑ontwerpers en beschouwen ze uitlegbaarheid als een procedurele vereiste, onlosmakelijk verbonden met due process en het recht van de partijen om machine‑gegenereerde beslissingen te betwisten.
De integratie van AI in de rechtspraktijk vraagt meer dan nieuwe regulering; ze vergt een herwaardering van de rechterlijke deugd. Virtue jurisprudence kan fungeren als buffer tegen de verleiding om het rechterlijk oordeel volledig aan algoritmen over te laten. Ze mogen dan minder emotioneel, vermoeid of afgeleid zijn dan mensen, ze missen precies datgene wat rechtspraak legitimeert: het vertrouwen van rechtsonderhorigen in rechters als phronimoi, als wijs handelende en moreel leergierige personen. Rechterlijke legitimiteit berust niet uitsluitend op correcte mechanische regeltoepassing of op een uitgebreide motivering in een arrest of vonnis, maar mede op de uitoefening en cultivering van de rechterlijke deugd.
