“He puts forward the thesis that ideology’s dominant mode of functioning is cynical (…). The cynical subject is quite aware of the distance between the ideological mask and the social reality, but he nonetheless still insists upon the mask. The formula, as proposed by him, would then be: ‘They know very well what they are doing, but still, they are doing it (…). One knows the falsehood very well, one is well aware of a particular interest hidden behind an ideological universality, but still one does not renounce it. (…) The fundamental level of ideology is that of an unconscious fantasy structuring social reality itself (…): ‘they know that, in their activity, they are following an illusion, but still, they are doing it’. For example, they know that their idea of freedom is masking a particular form of exploitation, but they still continue to follow this idea of freedom.”
– Slavoj Žižek in (1989) The Sublime Object of Ideology, p. 25, 26 en 30.
In The Sublime Object of Ideology (1989) betoogt Slavoj Žižek dat ideologie niet simpelweg bestaat uit een door brainwashing veroorzaakte verkeerde perceptie van de werkelijkheid. Ideologie is geen verzameling van misleidende overtuigingen of een bepaalde vorm van propaganda, maar datgene wat onze werkelijkheid structureert. Bij veel hedendaagse denkers leeft de gedachte dat we de ideologie voorgoed achter ons hebben gelaten, maar volgens Žižek is niets minder waar: ideologie blijft in zogenaamd ‘post‑ideologische’ samenlevingen doorwerken.
Ideologie ontleent haar werking aan een tekort dat nooit kan worden opgeheven, een tekort dat de ideologische machine voortdurend aandrijft en ons eraan bindt, ook wanneer we heel goed weten welke onrechtvaardigheden en problemen diezelfde machine produceert en blijft produceren. Dit fundamenteel tekort duidt Žižek aan met een term uit de Lacaniaanse psychoanalyse: het object kleine a, het object‑oorzaak van verlangen (l’objet cause du désir). Binnen het ideologisch systeem verhoudt het subject zich tegenover dit tekort op een zeer eigenaardige manier: het gaat bewust op zoek naar het eigen en andermans tekort om vervolgens telkens weer opnieuw te beseffen dat dit tekort inderdaad tekortschiet (De Kesel 2012, 12).
Dit object wordt door Lacan ook das Ding genoemd, een oorspronkelijk uitgesloten object dat zich buiten de symbolische orde situeert en dat het verlangen blijvend aanwoekert. Deze symbolische orde – het ideologisch raamwerk waarin we ons bevinden en op basis waarvan we onze subjectiviteit ontlenen – is een keten van betekenisloze betekenaars, een veld van tekens zonder definitieve betekenis. Zoals De Kesel schrijft: “Het punt waar een ideologie zijn samenhang vindt, valt te lokaliseren in zijn tekort – een tekort dat de betekenaarsketen gaande houdt.” (De Kesel 2012, 63). Het zelfbegrip van het subject is daarbij een effect van de symbolische orde.
Žižek verbindt das Ding met Immanuel Kants notie van het sublieme: iets dat ons bevattingsvermogen te boven gaat. Het sublieme is het domein waar woorden tekortschieten. Het is iets dat zich buiten de symbolische orde bevindt, voorbij de grenzen van de taal. Het sublieme object van ideologie is volgens Žižek een alledaags object dat wordt verheven tot het niveau van das Ding, namelijk tot iets dat méér vertegenwoordigt dan het object als zodanig. Het sublieme object verwijst naar iets dat veel verder reikt dan zijn gewone, materiële verschijningsvorm. Het is een soort van sacraal object dat het ideologisch bouwwerk in stand houdt, en tegelijk ook de fundamentele inconsistentie van dat bouwwerk maskeert. Het sublieme object is als een truc: iets dat onze aandacht vasthoudt, zodat we gefixeerd blijven op de illusie en niet op het mechanisme dat de illusie produceert. Zoals Žižek zelf schrijft: “The sublime object is an object which cannot be approached too closely: if we get too near it, it loses its sublime features and becomes an ordinary vulgar object – it can persist only in an intermediate state, viewed from a certain perspective, half seen. If we want to see it in the light of day, it changes into an everyday object, it dissipates itself, precisely because in itself it is nothing at all.” (Žižek 1989, 192). Ideologie functioneert volgens Žižek door onze verlangens en ons gedrag rond zulke sublieme objecten te organiseren. Ze functioneert via een fantasie die het verlangen voortdurend in beweging houdt.
Een voorbeeld van een subliem object is geld. Op zichzelf is geld slechts een papier, een muntstuk of een getal op een scherm, maar binnen het ideologisch raamwerk krijgt het een bijzondere kwaliteit. Het gaat namelijk functioneren als een waarderings -en statusmiddel en zo een rol spelen in sociale en machtsrelaties. Wanneer we echter buiten dit raamwerk treden en ons de vraag stellen wat geld echt is, stuiten we op zijn leegte: het heeft geen intrinsieke bijzondere kwaliteit. Geld functioneert daarom als een subliem object: het stuurt onze handelingen en interacties en houdt het ideologisch systeem bijeen door zijn eigen leegte te maskeren.
Zelfs wanneer we weten dat een ideologisch systeem niet in staat is zijn beloftes waar te maken, blijven we volgens Žižek eraan vastklampen: “(…) nobody really believes in the ruling ideology, every individual preserves a cynical distance from it and everybody knows that nobody believes in it; but still, the appearance is to be maintained at any price.” (Žižek 1989, 225). Laten we dit illustreren aan de hand van het voorbeeld van de American Dream – een ideologisch construct dat belooft dat iedereen door hard te werken rijk en succesvol kan worden. Dit construct geeft ons richting en een referentiekader om onze ambities en lange werkuren te begrijpen en te rechtvaardigen. Maar zoals sommige critici terecht hebben opgemerkt, verhult ze ook de structurele ongelijkheden en belemmeringen die verhinderen om die grootse belofte in de praktijk waar te maken. Toch blijft de American Dream, zelfs wanneer we ons bewust zijn van deze verhulling, een krachtig middel om onze verlangens, handelingen en interacties met anderen te sturen.
Het is ook zo dat elke ideologische universele notie een innerlijke contradictie bevat. Žižek gebruikt de notie van vrijheid als voorbeeld: “(…) a specific freedom, that of the worker to sell freely his own labor on the market, which subverts this universal notion. That is to say this freedom is the very opposite of effective freedom: by selling his labor ‘freely’ the worker loses his freedom. The real content of this free act of sale is the workers enslavement to capital. (…) The ultimate ideological paradox from this is that you are ultimately free to sell yourself to slavery.” (Žižek 1989, 16-17). Innerlijke contradicties binnen de ideologie zijn geen tekenen van haar falen, maar juist tekenen van haar doeltreffende werking.
We kunnen ons nooit buiten de ideologie plaatsen, maar we kunnen haar functioneren en haar innerlijke tegenstrijdigheden wel zichtbaar maken via de begrippen van Žižeks ideologietheorie. De Žižekiaanse ontmaskering van ideologie heft haar niet op, maar maakt precies datgene zichtbaar waardoor zij blijft functioneren.
