Meta-ethiek is het filosofische onderzoeksgebied dat zich niet richt op de vraag welke handelingen moreel juist of verkeerd zijn (het domein van de normatieve ethiek), maar op de betekenis van morele uitspraken en op de vraag of morele oordelen waar of onwaar kunnen zijn. Deze tweede-orde reflectie lijkt op het eerste gezicht abstract, maar ze is onmisbaar voor een goed begrip van ethische discussies. Zonder meta-ethiek weten we immers niet wat voor soort aanspraken we maken wanneer we morele uitspraken formuleren: bevestigen we het bestaan van morele feiten, geven we uitdrukking aan een emotie, of trachten we gedrag te beïnvloeden? Wanneer iemand bijvoorbeeld beweert dat morele normen cultuurgebonden zijn en iemand anders beweert dat morele normen universeel gelden, dan verschillen zij op meta-ethisch niveau. Het is onmogelijk morele meningsverschillen te doorgronden zonder inzicht in de meta-ethische posities die eraan ten grondslag liggen.
Meta-ethiek vormt het kader waarbinnen ethische debatten kunnen worden gesitueerd en ze kan onderverdeeld worden in drie centrale vraagclusters: (1) vragen naar de betekenis van moreel taalgebruik, (2) vragen naar het bestaan van morele feiten of eigenschappen, en (3) vragen naar de mogelijkheid en aard van morele kennis. In wat volgt worden beknopt een aantal stromingen besproken die een antwoord formuleren op de eerste twee vragen.
Het moreel realisme verdedigt de stelling dat er objectieve morele feiten zijn die onafhankelijk bestaan van menselijke meningen of gevoelens. Volgens morele realisten is de uitspraak “iemand martelen is verkeerd” waar omdat ze correspondeert met een moreel feit, net zoals de uitspraak “water kookt bij 100°C” waar is vanwege een natuurkundig feit. Ze verschillen echter van mening over de aard van zulke feiten: sommigen beschouwen ze als natuurlijk (natuurlijk realisme), terwijl anderen ze opvatten als niet-natuurlijk (niet-natuurlijk realisme).
Een belangrijk argument vóór het moreel realisme is het zogenoemde moreel-fenomenologisch argument. Het argument vertrekt vanuit de vaststelling dat morele ervaring zichzelf presenteert als objectief. Wanneer iemand bijvoorbeeld getuige is van kindermisbruik, ervaart hij niet louter een persoonlijke afkeer, maar het gevoel dat het daadwerkelijk verkeerd is. Morele realisten menen dat de beste verklaring voor deze ervaring is dat er inderdaad objectieve morele feiten bestaan.
Moreel antirealisme fungeert als een verzamelterm voor de waaier aan posities die ontkennen dat er objectieve morele eigenschappen bestaan. Zo stellen subjectivisten bijvoorbeeld dat morele uitspraken waar zijn voor zover ze in overeenstemming zijn met een individuele goed- of afkeuring. De uitspraak “Liegen is verkeerd” betekent dan zoveel als: “Ik keur liegen af.” De waarheid van een morele uitspraak hangt hier dus af van de spreker, niet van een objectieve morele eigenschap. Twee personen kunnen in dat geval tegengestelde morele uitspraken doen zonder dat noodzakelijkerwijs een van beiden ongelijk heeft.
Een centrale meta-ethische discussie betreft de aard van morele uitspraken. Cognitivisten stellen dat morele uitspraken proposities uitdrukken die waar of onwaar kunnen zijn. Non-cognitivisten ontkennen dit. Zij – onder wie de emotivisten en prescriptivisten – betogen dat morele uitspraken geen proposities zijn die waarheidsvatbaar kunnen zijn. Daarmee verwerpen zij de twee kernstellingen van het cognitivisme: ten eerste dat morele uitspraken feiten beschrijven, en ten tweede dat zij waar of onwaar kunnen zijn.
Volgens emotivisten zijn morele uitspraken uitdrukkingen van gevoelens van goed- of afkeuring. De uitspraak “dierenmishandeling is slecht” komt dan neer op iets als “bah, dierenmishandeling!”, waarbij “bah” moet worden opgevat als het uitroepen van walging. De zin “dierenmishandeling is slecht” beschrijft in deze visie dus geen feit, maar is slechts een uitdrukking van een emotie. Een andere non-cognitivistische theorie is het prescriptivisme, dat morele uitspraken interpreteert als voorschriften of bevelen.
Een van de meest radicale posities binnen de meta-ethiek is de error theory. Deze meta-ethische theorie, doorgaans geassocieerd met de filosoof J.L. Mackie, stelt dat alle morele uitspraken onwaar zijn, omdat ze het bestaan van objectieve morele eigenschappen veronderstellen, terwijl dergelijke eigenschappen in de werkelijkheid helemaal niet bestaan. Volgens Mackie zijn morele eigenschappen geen deel van de realiteit. Wanneer mensen zeggen dat iets “goed” of “slecht” is, proberen ze een objectieve eigenschap aan een handeling toe te schrijven, maar ze vergissen zich. Ze schrijven eigenschappen toe die in de werkelijkheid niet bestaan. Moraliteit berust dus op een systematische vergissing.
Mackies beroemde vreemdheidsargument (argument from queerness) betoogt dat als er objectieve morele waarden zouden bestaan, dit zeer vreemde (“queer”) entiteiten zouden zijn, totaal anders dan alles wat we kennen. Ze zouden een ingebouwde “to-be-doneness” (‘moet-gedaan-worden’) eigenschap hebben die mensen zouden sturen en dit is onaannemelijk.
Volgens het moreel realisme bestaan er objectieve morele eigenschappen, maar Mackie stelt dat zulke eigenschappen uitzonderlijk ongewoon zouden zijn. Die ongewoonheid vloeit voort uit het gegeven dat ze op zichzelf handelingssturend (‘intrinsiek motiverend’) zouden zijn. Stel bijvoorbeeld dat “onrechtvaardigheid” een objectieve eigenschap is. In dat geval zou het feit dat iets onrechtvaardig is niet enkel waar zijn, maar ook automatisch mensen aansturen iets onrechtvaardigs te vermijden. Volgens Mackie is dit onaannemelijk, omdat geen enkel ander type feit op die manier functioneert.
Zelfs indien zulke eigenschappen zouden bestaan, rijst bovendien een tweede probleem: hoe zouden wij er kennis van kunnen hebben? Als morele eigenschappen niet empirisch waarneembaar zijn, zouden wij een bijzondere mysterieuze cognitieve toegang tot die eigenschappen moeten bezitten die neerkomt op een speciaal kenvermogen wat Mackie als onaannemelijk beschouwt.
Volgens de error theory is de uitspraak “moorden is moreel verkeerd” onwaar, op dezelfde manier dat “Sinterklaas bestaat” onwaar is. Desondanks blijven we morele taal gebruiken, omdat deze praktisch functioneel is voor sociale coöperatie. Critici merken echter op dat deze meta-ethische positie moeilijk vol te houden is: hoe kan iemand handelen en spreken alsof moraliteit bestaat, terwijl hij tegelijkertijd gelooft dat moraliteit niet bestaat? Indien men ervan uitgaat dat alle morele uitspraken onwaar zijn, zou elke uiting van morele verontwaardiging bovendien nooit oprecht kunnen zijn.
Gepubliceerd door Thomas Van Neste

Geef een reactie