“Wetten vereisen interpretatie, willen ze op concrete gevallen kunnen worden toegepast, en als de mythen die het karakter van rechtspraak verhullen eenmaal door realistisch onderzoek zijn verdreven, wordt duidelijk dat de open textuur van het recht veel ruimte overlaat voor een scheppende activiteit die sommigen wetgevend noemen. (…) Bij rechterlijke beslissingen, in het bijzonder in kwesties van groot constitutioneel belang, gaat het vaak om een keuze tussen morele waarden (…).”
– HART, H.L.A. (1961) The Concept of Law, Oxford University Press, p. 204.
Weinig kwesties raken zo aan de kern van de rechtsfilosofie als de vraag hoe het begrip ‘rechterlijk oordeel’ precies moet worden gedefinieerd. Op het eerste gezicht lijkt een rechterlijk oordeel op een eenvoudige toepassing van geldend recht: de rechter past de wet toe op de feiten en komt zo tot een helder en bindend oordeel. Het is de wetgever die normeert en de rechter die als Montesquieu-aanse ‘bouche de la loi’ toepast.[1] Dit is de legalistische opvatting van rechterlijke oordeelsvorming: rechtspreken is een logische operatie waarbij het rechterlijk oordeel met logische noodzakelijkheid wordt afgeleid aan de hand van een deductief syllogisme.[2] Het rechterlijk oordeel wordt in een syllogistische structuur gegoten waarbij de toepasselijke rechtsregel fungeert als majorpremisse, de vastgestelde feiten als minorpremisse en het beschikkend gedeelte in het vonnis als conclusie. Een voorbeeld van zo’n syllogistische structuur is de volgende: premisse 1: alle Besloten Vennootschappen zijn onderworpen aan de vennootschapsbelasting; premisse 2: KVC Westerlo BV is een Besloten Vennootschap; conclusie: KVC Westerlo BV is onderworpen aan de vennootschapsbelasting. Het rechterlijk oordeel wordt hier begrepen als de uitkomst van een strikt rationeel en mechanistisch proces dat bestaat uit het afleiden van een conclusie uit duidelijke regels.[3] Het is deze legalistische opvatting die doorgaans onder het brede publiek leeft wanneer in de publieke ruimte over rechterlijke oordeelsvorming wordt gesproken.
Niettemin wijzen verschillende rechtsfilosofen erop dat een rechterlijk oordeel in de praktijk vaak veel genuanceerder is: interpretatie, intuïtie, pragmatische afwegingen en zowel interne als externe invloeden zouden een rol spelen die een louter eenvoudige en mechanistische toepassing van vooraf vastgestelde regels overstijgt. In dit essay wil ik deze vaak over het hoofd geziene nuance onder de aandacht brengen. Ik beoog daarbij geen sluitende definitie van het rechterlijk oordeel te geven, maar wel de relevante rechtsfilosofische benaderingen te verkennen die de nodige perspectieven bieden om de complexiteit van het rechterlijk oordeel in de mate van het mogelijke te begrijpen. Door aandacht te besteden aan de formeel-legalistische, interpretatieve, psychosociale en pragmatische benadering wordt duidelijk dat het rechterlijk oordeel zich niet zomaar tot een eenduidig begrip laat herleiden, maar zich daarentegen, naargelang de aard van de concrete casus, manifesteert als een dynamisch en complex proces dat ofwel rationeel ofwel intuïtief verloopt en waarbij regeltoepassing, interpretatie van algemene morele beginselen, niet-juridische factoren of praktische gevolgen de doorslag geven. Wie dit complex proces serieus neemt, kan geen genoegen nemen met een beschrijving van het recht als een gesloten systeem van regels dat automatisch duidelijke en voorspelbare antwoorden genereert.
Volgens Eric Dirix is het aan de wetgever om de algemene doelstellingen te formuleren en de krijtlijnen vast te leggen waarbinnen de rechter kan opereren. Zonder afbreuk te doen aan het primaat van de wetgever, krijgt de rechter binnen dit kader dan de ruimte om de wettelijke regeling te interpreteren, te concretiseren en, waar nodig, aan te vullen.[4] Precies deze ruimte maakt duidelijk dat rechtsregels niet altijd eenduidig zijn, waardoor zich de vraag opdringt hoe de rechtspraak met dergelijke ambiguïteit omgaat. Ook wanneer de rechter voorhoudt louter bestaande rechtsregels toe te passen, draagt hij actief bij aan de rechtsvorming door die regels telkens opnieuw te interpreteren en te concretiseren in steeds wisselende en nieuwe contexten.[5] De aandacht verschuift hier in eerste instantie van een louter legalistische benadering naar een benadering die interpretatie centraal stelt. De vraag is niet langer uitsluitend wat regels zouden voorschrijven, maar hoe regels geïnterpreteerd worden in de context van concrete casussen – casussen die vaak in bepaalde aspecten van elkaar zullen verschillen, ook wanneer ze op het eerste gezicht sterk op elkaar gelijken – en daardoor een eventueel nieuwe betekenis krijgen. Deze overgang van strikte regeltoepassing naar interpretatie en betekenisgeneratie markeert een cruciale stap in het rechtsfilosofisch debat over de invulling van het begrip ‘rechterlijke beslissing’. Binnen dat debat vormt het werk van H.L.A. Hart een interessant en waardevol vertrekpunt: enerzijds benadrukt hij het belang van regels[6] die aan rechterlijke beslissingen ten grondslag liggen, anderzijds wijst hij ook op de inherente onbepaaldheid van sommige van die regels.[7]
Hart stelt in hoofdstuk 9 van The Concept of Law dat wetten interpretatie vereisen, willen ze op concrete gevallen kunnen worden toegepast. In dezelfde passage gebruikt hij ook de opvallende term ‘open textuur van het recht’. Volgens mij verwijst Hart met deze term naar het idee dat rechtsregels niet altijd volledig determinerend zijn voor de uitkomst van een juridisch geschil. Rechtsregels laten in bepaalde situaties een interpretatieve ruimte over omdat ze niet elk mogelijk scenario kunnen dekken. Aan dit interpretatieve aspect, waar Hart in hoofdstuk 9 slechts zijdelings aandacht aan besteedt, zal de rechtsfilosoof Ronald Dworkin in o.a. Law’s Empire en Taking Rights Seriously een veel uitgebreidere invulling geven. Voor Dworkin is de essentie van het recht de interpretatieve activiteit van de rechter. Wanneer rechters geconfronteerd worden met ‘hard cases’[8] – moeilijke gevallen waarvoor het recht geen eenduidige oplossing aanreikt, wat in het grondwettelijk recht bijvoorbeeld vaak voorkomt – laten zij zich leiden door normatieve standaarden.
Deze normatieve standaarden – waarmee hij iets anders bedoelt dan louter subjectieve rechten – zijn enerzijds beginselen die eigen zijn aan een gemeenschap (principles), en anderzijds sociaaleconomische of beleidsmatige overwegingen die vaak buiten de letter van de wet blijven (policies). Een principle is bijvoorbeeld het beginsel van gelijke behandeling of het beginsel dat schade vergoed moet worden; voorbeelden van policies zijn het verhogen van de werkzaamheidsgraad, het verlagen van de belastingdruk voor een bepaalde groep mensen, het beschermen van de volksgezondheid of het voeren van een doeltreffend klimaatbeleid.
Dworkin vergelijkt het interpreteren van het recht met het schrijven van een kettingroman (de chain novel) waarvan de verhaallijn moet aansluiten bij wat voorafgaat.[9] Iedere rechter – die een auteur is in de keten – moet de verhaallijn op een zo goed mogelijke manier verderzetten.[10] Wanneer het verhaal op verschillende manieren vervolgd zou kunnen worden, is de rechter verplicht die interpretatie van het recht te geven die de beste weergave is van de beginselen die aan de gemeenschap eigen zijn. De rechter moet de volledige geschiedenis van de rechtspraktijk overschouwen en vervolgens de perfecte interpretatie opstellen.
Hercules is de naam die Dworkin geeft aan de bovenmenselijke superrechter wiens verstand, kennis, geduld en doorzettingsvermogen van die aard zijn dat hij een overzicht weet te verwerven van alle elementen in het eigen rechtssysteem en die bovendien over oneindig veel tijd beschikt zodat hij in elk concreet geval de best mogelijke interpretatie daarvan weet op te maken.[11] De vraag is steeds: wat zou zo’n superrechter met inzicht in de samenhang van regels, voorbije rechtspraak en normatieve standaarden – de principles en policies – beslissen in de concrete zaak? Volgens Dworkins right answer thesis is er in elke zaak slechts één interpretatie die als de beste kan worden aangemerkt.[12]
Dit idealistische beeld van rechterlijke interpretatie roept echter de vraag op in hoeverre het verzoenbaar is met het rechtspreken zoals het zich in de praktijk voordoet. Dworkins Hercules fungeert immers niet zozeer als een empirische beschrijving van de rechter, maar als een theoretisch referentiepunt: een gedachte-experiment dat moet verduidelijken hoe juridische interpretatie idealiter verloopt wanneer zij volledig wordt geleid door Dworkins integriteitsprincipe. Door de onmenselijke eigenschappen die aan Hercules worden toegekend, wordt zichtbaar welke eisen Dworkin stelt aan rechtsvinding, maar tegelijk maakt zijn ideaaltype ook de feitelijke omstandigheden duidelijk waaronder rechters opereren. Rechters beschikken in de praktijk immers niet over oneindig veel tijd en volledige kennis. Zij oordelen onder beperkingen en als unieke individuen met een eigen levensloop.
Deze spanning tussen het idealistisch beeld van rechterlijke interpretatie enerzijds en menselijke beperktheid anderzijds vormt een belangrijk kritiekpunt. Het is precies in dit spanningsveld dat de legal realists hun positie scherp naar voren brengen. Het zijn zij, onder meer Jerome Frank en Oliver Wendell Holmes, die de blik afwenden van een idealistisch beeld van rechterlijke interpretatie, en de aandacht richten op de niet-juridische factoren die rechterlijk gedrag in de praktijk bepalen. Daarbij benadrukken zij dat rechterlijke oordeelsvorming onlosmakelijk verbonden is met de persoon van de rechter zelf. Wat de invloed van niet-juridische factoren betreft, wijzen zij erop dat rechterlijke beslissingen vaak mee bepaald worden door de persoonlijke kenmerken van de rechter, zoals onder meer: geslacht, seksuele geaardheid, ras, religie, sociaaleconomische achtergrond of de genoten opleiding.[13] Zulke factoren zouden ertoe kunnen leiden dat twee rechters, geconfronteerd met dezelfde zaak (bijvoorbeeld dezelfde strafzaak), tot uiteenlopende beslissingen komen. Daarnaast kunnen ook andere factoren de uitkomst mee bepalen, zoals het risico op herziening in hoger beroep of Cassatie, of het feit dat de rechter al dan niet collegiaal zetelt.[14]
Hoewel de inzichten van de legal realists duidelijk maken dat rechterlijke beslissingen in de praktijk door uiteenlopende niet-juridische factoren beïnvloed kunnen worden, reiken zij weinig houvast aan voor de vraag hoe rechters hun beslissingen moeten verantwoorden. Vanuit die vaststelling ontstaat ruimte voor een andere invalshoek, die minder focust op de persoonlijke kenmerken van de rechter en meer op het effect van de beslissing zelf. Deze verschuiving in focus vormt de brug naar het rechtspragmatisme dat de gevolgen van de beslissing centraal stelt. Volgens rechtspragmatici, onder wie Richard Posner, behoort de rechter, eerder dan terug te vallen op algemene principes, de mogelijke voor- en nadelen van zijn beslissing zorgvuldig tegen elkaar af te wegen. Daarbij dient hij zich af te vragen welke doelstellingen er achter de relevante rechtsregel schuilgaan, en hoe zijn beslissing de verwezenlijking van die doelstellingen zal beïnvloeden.[15] Rechters moeten, wanneer zij recht spreken, pragmatisch te werk gaan en in hun vonnis transparant zijn over de consequenties die aan hun beslissing ten grondslag liggen.
Hoewel het rechtspragmatisme rechterlijke beslissingen begrijpt als het resultaat van een bewuste afweging van gevolgen, roept deze benadering vragen op over het daadwerkelijke verloop van rechterlijke besluitvorming. Het pragmatische ideaal veronderstelt een rechter die expliciet reflecteert over doelstellingen, consequenties en alternatieven, en die al deze overwegingen ook transparant maakt in zijn motivering. De vraag is evenwel of dit beeld overeenstemt met de manier waarop rechters in de praktijk tot hun oordeel komen. In plaats van het rechterlijk oordeel te begrijpen als de uitkomst van een rationeel proces, zijn er rechtsfilosofen die stellen dat zo’n oordeel gebaseerd is op een intuïtie, het tegenovergestelde van een weloverwogen stap-voor-stap analyse, en dat de motivering in een vonnis fungeert als een ex post rationalisatie van die intuïtie.[16] Deze intuïtie is een door ervaring gevormd juridisch aanvoelen. De rechter voelt onmiddellijk de beslissing aan ook al weet hij niet meteen hoe hij die beslissing in zijn vonnis zal motiveren. Rechterlijke oordeelsvorming wordt hier begrepen als een onbewuste, doch ervaring-gestuurde oordeelsvorming.
De hierboven uiteengezette rechtsfilosofische analyse, die vertrok vanuit het werk van H.L.A. Hart, mondt uit in de vaststelling dat rechterlijke oordeelsvorming zich afspeelt binnen een spanningsveld van regels, rationaliteit, interpretatie, pragmatische afwegingen, intuïtie, persoonlijke factoren en ervaring. Het rechterlijk oordeel manifesteert zich aldus als een complexe praktijk waarin uiteenlopende rechtsfilosofische benaderingen elkaar niet uitsluiten, maar veeleer wederzijds aanvullen. Door deze vaak over het hoofd geziene nuance onder de aandacht te brengen, wordt de legitimiteit van het rechterlijk oordeel niet ondermijnd, maar juist verdiept: transparantie over die complexiteit verschaft een eerlijk en rijk inzicht in wat rechtspreken werkelijk inhoudt.
Gepubliceerd door Thomas Van Neste
[1] F. FLEERACKERS (2016) Rechtsdenken vademecum: Juridische Conflictanalyse, Brussel: Larcier, p. 100-101.
[2] B. BOUCKAERT, “Waar moet de rechter actief zijn (en waar niet)? Het beleid van de rechter geplaatst in de ‘duas politica’ van jurisdictio en gubernaculum” in STORME, M. E., SAGAERT, V., VAN HOE, A. (eds.), Vijftig jaar het beleid van de rechter, Wolters Kluwer, 2024, p. 18; H. KERKMEESTER en L. VISSCHER, “Hoe rechters denken: Richard Posner over het werk van de rechterlijke macht”, Rechtstreeks (4) 2010, p. 11.
[3] C. FLANDERS, “A review of how judges think by Richard A. Posner”, Law and Humanities 3(1) 2009, 118-119.
[4] V. SAGAERT, “Voorwoord: het beleid van de rechter vroeger, nu en hier” in STORME, M. E., SAGAERT, V., VAN HOE, A. (eds.), Vijftig jaar het beleid van de rechter, Wolters Kluwer, 2024, p. 8.
[5] M. E. STORME, “De plaats en beleidsruimte van de rechter vijftig jaar later: een slotbeschouwing” in STORME, M. E., SAGAERT, V., VAN HOE, A. (eds.), Vijftig jaar het beleid van de rechter, Wolters Kluwer, 2024, p. 542.
[6] Hart begrijpt het recht als een stelsel van primaire en secundaire regels, ook al strijden sommige ervan met de moraal van een samenleving of wat we voor de moraal houden. Primaire regels zijn regels die afgeleid zijn van een aantal natuurlijke kenmerken de mens en hebben betrekking op ons gedrag. Voorbeelden van primaire regels zijn: dood niet, bedrieg uw contractspartner niet wanneer je met hem contracteert, steel niet, telkens op straffe van schadevergoeding, geldboete of gevangenisstraf. Primaire regels verbieden antisociaal gedrag en waarborgen zowel de continuïteit van het samenleven als de mogelijkheid tot samenwerking. Daartegenover staan de secundaire regels. Hart werkt deze in hoofdstuk 9 niet in detail uit, maar hij gebruikt secundaire regels om te verwijzen naar ‘meta-regels’: regels die bepalen wat geldt als recht (rule of recognition), wie bevoegd is om bepaalde regels te maken en te interpreteren (rules of adjudication), en welke procedure gevolgd moet worden om bepaalde regels te wijzigen (rules of change). Belangrijk voor Hart is dat het recht altijd een samengaan is van deze primaire en secundaire regels. Van een rechtssysteem is slechts sprake wanneer beide regelsets aanwezig zijn.
[7] “En als (…), wordt duidelijk dat de open textuur van het recht veel ruimte overlaat voor een scheppende activiteit die sommigen wetgevend noemen.” in HART, H.L.A. (1961) The Concept of Law, Oxford University Press, p. 204.
[8] Hard cases betreffen altijd een waardenconflict, waarbij de rechter waarden tegen elkaar moet afwegen. In deze moeilijke gevallen is er van een simpele toepassing van de wet geen sprake.
[9] R. DWORKIN (1986) Law’s Empire, Harvard University Press, p. 229 e.v.
[10] “Law as integrity asks a judge deciding a common-law case like McLoughin to think of himself as an author in the chain of common law. He knows that other judges have decided cases that, although not exactly like his case, deal with related problems; he must think of their decisions as part of a long story he must interpret and then continue, according to his own judgement of how to make the developing story as good as it can be.” in R. DWORKIN (1986) Law’s Empire, Harvard University Press, p. 239.
[11] R. GEENENS, “Rechtspositivisme versus natuurrecht: de hedendaagse discussie” in R. GEENENS, Ethiek, Acco, Leuven, 2019, p. 158.
[12] J. KRANENBERG en B. VAN KLINK, “De Grenzen van Law’s Empire: Dworkin’s rechtsfilosofie onder vuur”, Krisis 1995, 15 (59), p. 68.
[13] E.T. GEORGE en G.T. WEAVER, “The role of personal attributes and social backgrounds on judging” in L. EPSTEIN en A.S. LINQUIST (eds.), The Oxford Handbook of U.S. Judicial Behavior, Oxford Academic, 2017, p. 286.
[14] Dit collegiaal zetelen verdient volgens FLEERACKERS de voorkeur: “Beter een volwaardig vonnis in eerste (en enige) aanleg waarbij drie rechters interactief tot inzicht en oordeel komen, dan een verplicht herhalingsnummer waarbij in eerste en tweede aanleg slechts één rechter zetelt (…); de wijze waarop een alleenzetelend magistraat bij zichzelf te rade gaat en zich tevens in vraag dient te (blijven) stellen is niet iedereen gegeven, laat staan aangeleerd.” in F. FLEERACKERS (2016) Rechtsdenken vademecum: Juridische Conflictanalyse, Brussel: Larcier, p. 113-114.
[15] RICHARD, A. POSNER (2010) How Judges Think, Harvard University Press, p. 245.
[16] “Intuition plays a major role in judicial as in most decision making. The faculty of intuition that enables a judge, a businessman, or an army commander to make a quick judgement without a conscious weighting and comparison of the pros and cons of the possible courses of action is best understood as a capability for reaching down into a subconscious repository of knowledge acquired from ones experiences and education. Most judges in the American system are highly experienced. Their experiences nourish their intuitions. (…) The role of the unconscious in judicial decision making is obscured by the convention that requires a judge to explain his decision in an opinion. The judicial opinion can best be understood as an attempt to explain how the decision, even if (as is most likely) arrived at on the basis of intuition, could have been arrived at on the basis of logical, step-by-step reasoning.” in RICHARD, A. POSNER (2010) How Judges Think, Harvard University Press, p. 107-110.

Geef een reactie